Actie Archeologisch Onderzoek

Kasteelwerf Foreest Naaldwijk

 

Brief Erfgoed Delft 2007. 2

Naaldwijk Woerdblok fase 4 Bureauonderzoek. 5

Inleiding. 5

Voorafgaand onderzoek. 5

Resultaten. 6

Geologie. 6

Bewoningsgeschiedenis. 7

Groundtracer 7

Bekende bodemverstoringen. 8

Interpretatie gegevens. 8

Vervolgonderzoek. 9

 

 


Brief Erfgoed Delft 2007

 

 

 

Erfgoed Delft e.o.

bezoekadres: Rontgenweg 1 2624 BD Delft

Retouradres: Postbus 78, 2600 ME Delft

 

Centrale nummers: Telefoon 015 260 23 40 /23 58, Fax 015 213 87 44

 

Internet : www.gemeentedelft.info

 

Behandeld door: Steven Jongma, Telefoon 015-2120188, sjongma@delft.nl, 30-11-2007

 

Onderwerp: Archeologisch onderzoek Woerdblok fase 4, Naaldwijk

 

Geachte heer Van Foreest,

 

Via deze brief wil ik u graag op de hoogte stellen van de recente ontwikkelingen omtrent het archeologisch onderzoek in het plangebied Woerdblok te Naaldwijk, gemeente Westland.

Recentelijk is door de gemeente Westland een aanvullend archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor fase 4 van het plangebied Woerdblok. In deze bureaustudie is alle beschikbare informatie aangaande de bewoningsgeschiedenis van het plangebied verzameld en geevalueerd. Op basis hiervan is een specifieke archeologische verwachting opgesteld, die een aanvulling vormt op de verwachting zoals gedefinieerd in de bureaustudie van Schute (2000). Wij doen u deze bureaustudie als bijlage bij deze brief toekomen.

 

In dit onderzoek zijn wij tot de conclusie gekomen dat er sterke aanwijzingen zijn dat een groot deel van het plangebied waarschijnlijk verstoord is door zandwinning. In de volgordelijkheid van het traject van de archeologische monumentenzorg dient eerst te worden bepaald of deze verstoring daadwerkelijk aanwezig is, en tot welke diepte deze reikt als aanwezig. De uitvoering van een archeologisch veldonderzoek middels boren vormt voor dit doel het juiste instrument. Het is ons inziens niet billijk de initiatiefnemer te verplichten over te gaan tot het uitvoeren van een kostbaar grootschalig proefsleuvenonderzoek, als hieruit blijkt dat door verstoring dit achteraf niet nodig was geweest.

 

Wanneer er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn, dan zal het booronderzoek dit naar verwachting uitwijzen. Bij het booronderzoek is het zaak vindplaatsen op te sporen en af te bakenen. Vervolgens kan voor elke vindplaats een waardestellend onderzoek wenselijk zijn, waarbij de vraag is of er werkelijk sprake is van waardevolle archeologische resten en welke omvang, kwaliteit, conservering, ouderdom etc. deze hebben. Dit waardestellend onderzoek vindt doorgaans plaats middels proefsleuven.
Wanneer uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat er sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats, dan wordt er naar gestreefd deze in situ te behouden door middel van planaanpassing. Wanneer dit niet tot de mogelijkheden behoort, dan dient de vindplaats ex situ te worden behouden door middel van een archeologische opgraving.

 

Het aanvullende bureauonderzoek is voorgelegd aan de archeologisch adviseur van de initiatiefnemer. Deze stemt in met de conclusies en het voorgenomen traject van vervolgonderzoek. Inmiddels is er door de initiatiefnemer een uitvoerende partij benaderd, die een plan van aanpak heeft geschreven dat door het bevoegd gezag (de gemeente Westland) is goed gekeurd. In week 4 van 2008 zal het inventariserend veldonderzoek middels boren van start gaan. Wij zien de resultaten hiervan met belangstelling tegemoet, en zullen u op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen. In het vertouwen u hiermee voldoende te hebben ge'informeerd,

 

Hoogachtend,

 

 

 

 

 

 


Naaldwijk Woerdblok fase 4 Bureauonderzoek

 

Oktober/november 2007

 

Opsteller: S.H. Jongma Autorisatie: P. Deunhouwer

 

Inleiding

Binnen het plangebied Naaldwijk Woerdblok is RABO Vastgoed voornemens nieuwbouw te realiseren (Afb. 1). Voor het hele plangebied is in 2000 een standaard archeologische inventarisatie (SAl; bureauonderzoek) uitgevoerd. Het plangebied valt uiteen in vier fases, waarbij fase 1 en 2, in het zuidelijke deel van het plangebied, eerder ontwikkeld warden dan fase 3 en 4, in het noordelijke deel. In het zuidelijke deel heeft inmiddels archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden in de vorm van boor- en proefsleuvenonderzoek. Het noordelijke deel was op dat moment nog niet beschikbaar voor onderzoek. In de veronderstelling dat zij voor het gehele plangebied aan de AMZ-eisen hadden voldaan, is RABO-vastgoed op een later tijdstip, zonder hier voorafgaand archeologisch vooronderzoek uit te voeren, begonnen met het bouwrijp maken van het noordelijke deel. De Provincie Zuid-Holland heeft er op toegezien dathier alsnog archeologisch vooronderzoek plaats vindt. Inmiddels is door ADC Archeoprojecten oak het noordoostelijke deel door middel van boringen onderzocht (Afb. 2). Het noordwestelijke deel (fase 4) moet nog worden onderzocht (Afb. 3).

 

Er is door verschillende partijen op verschillende momenten een grate hoeveelheid informatie (en interpretatie) gegenereerd, aangaande de archeologische verwachting binnen dit plangebied. Dit bureauonderzoek heeft ten doel op basis van al deze informatie een afgewogen beslissing te nemen hoe het vervolgonderzoek binnen Fase 4 dient te warden uitgevoerd.

 

Voorafgaand onderzoek

Hieronder wordt een overzicht gegeven van het vooronderzoek dat heeft plaatsgevonden binnen het plangebied Woerdblok. De jaartallen geven het jaar van uitvoering aan, niet van publicatie (zie daarvoor voetnoten).

 

BUREAUONDERZOEK:

Stichting RAAP, 1999.[i]

Inventariserend Veldonderzoek Boren:

RAAP Archeologisch Adviesbureau, 1999.[ii]

Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven:

RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2003.[iii]

Grondradaronderzoek:

Groundtracer BV, 2007.[iv]

Inventariserend Veldonderzoek Boren:

ADC Archeoprojecten, 2007.[v]

 

Al het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van RABO vastgoed BV, met uitzondering van het grondradaronderzoek, dat op particulier initiatief is uitgevoerd.

 

Naast deze onderzoeken zijn er door verschillende partijen stukken geschreven over archeologische of historische aspecten binnen het plangebied. In veel gevallen is deze informatie niet vrij voor handen. Voor de volledigheid warden deze documenten hier weergegeven .

 

v     "FOREEST genoemd als Hoogwerf', Groenewegen, H.I.M., mei 2007. Een korte interpretatie van historische documenten aangaande naamgeving en grondbezit binnen het plangebied door amateurarcheloog H. Groenewegen (gemeente Westland) .

v     Website http://home.hetnet.nl/~vanforeest/Naaldwijk_Foreest.htm Deze website is tot stand gekomen met input van lokale amateurarcheologen.

 

Naast deze informatie zijn door lokale amateurarcheologen waarnemingen gedaan binnen het plangebied waarbij verschillende vondsten zijn gedaan.

 

Resultaten

Geologie

De geologische situatie binnen het plangebied is beschreven in het bureauonderzoek van RAAP, waarbij het plangebied is opgedeeld in vier zones met verschillende geologische ondergronden. Deze zijn weergegeven in Afbeelding 4. Hierop is tevens het plangebied fase 4 omkaderd.

 

"Rond 4000 voor Chr. maakte het plangebied en de omgeving daarvan deel uit van een marien getijdengebied bestaande uit wadden, kwelders en geulen gekenmerkt door kleiige Afzettingen van Calais IV. Deze afzettingen overdekken pleistocene zanden die zich op een diepte van 18 a 19 m -NAP bevinden (het maaiveld ligt ongeveerop 0,0 m NAP).

 

Vanaf circa 2000 voor Chr. heeft zich op de Calais IV-afzettingen (mede door de beschutte ligging achter de strandwallen) een uitgestrekt veengebied gevormd (zgn. Hollandveen). Deze veengroei werd in het plangebied rond 1600 voor Chr. onderbroken als gevolg van de  toenemende invloed van de zee. Tijdens deze 'transgressie' zijn de Duinkerke O-afzettingen gevormd. De strandwallen werden doorbroken en er vormde zich een breed estuarium, vergelijkbaar met de huidige Westerschelde. Door afnemende erosie tijdens het einde van deze transgressiefase vormde zich rond 2000 voor Chr. in het gebied van Voorne tot Vlaardingen en Naaldwijk een wijdvertakt geulenstelsel. Na verlanding van dit systeem vormde zich weer op grote schaal Hollandveen.

 

De locatie van (verlande) geulsystemen heeft een groot archeologisch belang: met name in de Prehistorie bestaat er een grote voorkeur voor bewoningslocaties langs actieve geulen of op verlande geulen. De afzettingen die verder van de geulen sedimenteren, worden dekafzettingen genoemd en zijn voor bewoning minder geschikt dan zandige geulafzettingen of veenranden langs geulen. Het Duinkerke 0-Iandschap is in de omgeving van het plangebied echter niet voldoende gekarteerd om een differentiatie in de archeologische verwachting aan te kunnen brengen. In latere perioden is dit landschap voor een groot deel geerodeerd.

 

Het geulsysteem van de Afzettingen van Duinkerke I, dat zich vanaf circa 300 voor Chr. in het klei- en veenlandschap heeft ingesneden, heeft echter wet duidelijke sporen achtergelaten. Het aanzien van het plangebied wordt in hoge mate bepaald door een inbraakgeul uit deze periode: de Gantel. Deze sneed zich in ten zuidoosten van 's-Gravenzande en liep noordwestelijk langs Naaldwijk in de richting van Wateringen. Het plangebied ligt bijna geheel op de zandige rug (de opgevulde Gantel; het omliggende landschap is ingeklonken) die nu nog zichtbaar is. Slechts een smalle strook langs de Kleine Achterweg vormt hier geen deel van.

 

De Duinkerke I-afzettingen zijn in het zuidwestelijk deel van het plangebied afgedekt door Oude Duin- en Strandzanden: de zogenaamde Naaldwijkse Geest. Deze zandrug (die overigens -in de Middeleeuwen?- vrijwel geheel is afgegraven) vormt in het Zuid-Hollandse landschap een nogal geisoleerd fenomeen. Er is niet veel van bekend: de datering van de afzetting is vooralsnog niet scherper gedateerd dan na Chr en voor 1200 na Chr. Dergelijke duin- en strandzanden zijn al eerder gesedimenteerd en kunnen ingebed in de Calais-afzettingen worden aangetroffen.

 

Het is redelijk om te veronderstellen dat de Naaldwijkse Geest dateert van voor de afzetting van het kleidek dat vanaf 800 na Chr. in het noordoostelijk deel van het plangebied is gesedimenteerd (de Duinkerke III-afzettingen). Deze kleien wiggen uit tegen het zand en zijn klaarblijkelijk later gevormd" (Schute, 2000).

 

Bewoningsgeschiedenis

Op basis van historisch kaartmateriaal is vast te stellen dat binnen het plangebied Fase 4 de resten van een kasteelwerf aanwezig moeten zijn (Afbeeldingen 5 en 6). Daarnaast zijn binnen het plangebied door amateurarcheologen enkele vondsten gedaan, waaronder Romeins en Middeleeuws aardewerk en twee Vroegmiddeleeuwse fibulae. Deze vondsten zijn nog niet aangemeld in het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS 2). Het betreft:

 

Romeins, 2 stuks

Pingsdorf, 11e -12e eeuw, 18 stuks

Andenne, 12e - 13 eeuws, 6 stuks

Kogelpot, 11e - 12e eeuws, 4 stuks

Paffrath, 11 e - 12e eeuws, 4 stuks

Grijs aardewerk, 13e - 14A eeuws, 2 stuks

Rood aardwerk, 13e - 14e eeuws, 2 stuks

Steengoed, 15e - 16e eeuws, 4 stuks.

Schijffibulae, ge - 11e eeuw, 2 stuks.

 

De determinaties van het aardewerk zijn verricht door Epko Bult (Gemeente Delft). De fibulae zijn gedetermineerd door Laurens Flokstra (RAAP). Het aardewerk is aangetroffen in het westelijke deel van plangebied fase 4.

 

Groundtracer

De resultaten van het grondradaronderzoek zijn niet verschenen in rapportvorm. Er zijn een aantal afbeeldingen met resultaten beschikbaar op basis waarvan enkele anomalieen in de bodemopbouw zijn geïnterpreteerd. De aard en oorzaak van deze anomalieen is aan de hand van de resultaten echter niet vast te stellen (Afb. 7).

 

Bekende bodemverstoringen

Een belangrijke bron die niet is geraadpleegd in het vooronderzoek is de publicatie van Van Liere uit 1948.[vi] Op kaartblad vijf van dit werk staan de opgevaren- en afgegeeste gronden in het Westland aangegeven. Hieruit blijkt dat het westelijke deel van het plangebied, dat wil zeggen het grootste deel van plangebied fase 4, is ontgrond ten behoeve van zandwinning (Afb. 8).

 

Het boor- en sleuvenonderzoek dat plaatsvond in het zuidelijke en noordoostelijke deel van het plangebied Woerdblok wees uit dat de bodem hier ook sterk verstoord was door zandwinning, of door diepe omzetting van de bodem ten behoeve van de tuinbouw. Hier zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen.

 

Interpretatie gegevens

Het terrein waar de voormalige kasteelwerf van de heren van Foreest heeft gelegen bevindt zich binnen het plangebied fase 4. Op basis van historisch kaartmateriaal is deze locatie vrij nauwkeurig aan te geven.

 

De aardewerkvondsten zouden kunnen wijzen op een vroege voorganger van het kasteel. Dit zou dan, gezien de datering, hoogstwaarschijnlijk een zogenaamd motte-kasteel moeten zijn geweest. De resultaten van het grondradaronderzoek zijn door sommigen vervolgens geïinterpreteerd als mogelijke resten van een mottekasteel of sporen die hiertoe behoren. Hier zijn echter enkele kanttekeningen bij te plaatsen.

 

De resultaten van het grondradaronderzoek laten zich niet of nauwelijks interpreteren. Daar komt bij dat zowel bij de herkomst van het aardewerk als bij de interpretatie van de grondradardata rekening dient te worden gehouden met de bodemverstoringen binnen het plangebied. Op de kaart van Van Liere is aangegeven dat er al voor 1948 sprake is geweest van afgeesting binnen het plangebied (Afb. 8). Het proefsleuvenonderzoek in het zuidelijke deel van plangebied Woerdblok heeft aangetoond dat er na deze datum nog meer ontgrondingen hebben plaatsgevonden, getuige de sporen van kraanbaktanden. Hierbij is de bodem tot ca. 0,5 m -NAP verstoord, hetgeen daar gelijkstaat aan ca. 1,5 m -maaiveld. Het is mogelijk dat dit ook binnen plangebied fase 4 het geval is.

 

Daarnaast bevestigd een analyse van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) dat in een groot deel van het plangebied sprake is geweest van ontgronding (Afbeeldingen 9, 10, en 11). Hierop is namelijk goed waar te nemen dat er perceelsgebonden hoogteverschillen aanwezig zijn. De gele en rode kleuren zijn hoogstwaarschijnlijk nog intacte bodems, hoewel dit zonder veldonderzoek ook niet met volle zekerheid te stellen is. De groene en blauwe kleuren zijn lager gelegen en representatief voor de ontgrondingen. Bij het uitgevoerde veldonderzoek binnen het plangebied Woerdblok zijn deze verstoringen aangetoond. De hoogte-indicatie in die gebieden komt overeen met de AHN-hoogtes binnen plangebied Fase 4.

 

Dit betekent dat de aardewerkvondsten binnen plangebied 4 tevens afkomstig zouden kunnen zijn uit verstoorde, mogelijk zelfs van elders aangevoerde grond. Dit laatste is tevens aangetoond voor (een groot deel van) de vondsten die werden aangetroffen bij het proefsleuvenonderzoek in het zuidelijke deel van het plangebied.

 

Samengevat valt uit al deze informatie te concluderen dat met de huidige stand van zaken onvoldoende duidelijk is in hoeverre de bodemopbouw binnen plangebied Fase 4 intact of verstoord is en in hoeverre er, wat betreft de aangetroffen vondsten, sprake is van een primaire of secundaire vindplaats.

 

Gezien de beschikbare informatie geldt er nog steeds een verwachting voor archeologische waarden binnen het plangebied, zoals ook geformuleerd in het bureauonderzoek van RAAP (Schute, 2000). Hierbij is de verwachting gekoppeld aan de geologische opbouw van de bodem.

Deze verwachting bestaat uit

 

v     Een hoge archeologische verwachting voor sporen uit de Romeinse tijd (het gehele plangebied)

v     Een hoge archeologische verwachting voor sporen uit de IJzertijd in het noordelijke deel van plangebied fase 4, overeenkomstig deelgebieden 2 en 4, zoals aangegeven op afbeelding 4.

v     Een hoge archeologische verwachting voor Vroegmiddeleeuwse bewoningssporen op de Gantelafzettingen (deelgebied 1 en 3; afb. 4) .

v     De verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan worden aangevuld met

v     Een hoge archeologische verwachting voor resten van een middeleeuwse motte en/of een (later) kasteel

v     Een hoge archeologische verwachting voor resten van bewoning uit de Nieuwe tijd, namelijk een later kasteel of beg raven hofstede.

 

Vervolgonderzoek

Binnen het plangebied Woerdblok fase 4 dient voor aanvang van bodemverstorende activiteiten rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Er geldt op basis van de beschikbare informatie een hoge verwachting voor de aanwezigheid van dergelijke waarden. Teneinde deze verwachting te toetsen dient er archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Hierbij is het van primair belang vast te stellen in hoeverre de bodemopbouw binnen het plangebied intact is. De meest efficiente en kostenbesparende methode om dit te bepalen is door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

 

In het geval dat hierbij aanwijzingen voor (een) vindplaats(en) worden aangetroffen, kan dit leiden tot een (beperkt) waardestellend veldonderzoek middels proefsleuven. Op deze manier kan de aard, omvang, kwaliteit (gaafheid en conservering) en de waarde van de mogelijke vindplaats(en) worden vastgesteld.

 

 

 

Afbeelding 1: De begrenzing van het plangebied Woerdblok geprojecteerd op een luchtfoto van het gebied (bron: Google-earth).

 


Afbeelding 2: De tot nu toe onderzochte terreinen binnen het plangebied Woerdblok. Voor het gehele plangebied is een Standaard Archeologische inventarisatie (SAl; bureauonderzoek) uitgevoerd door RAAP (Schute 2000).


Afbeelding 3: De begrenzing van het plangebied Woerdblok en daarbinnen Fase 4.


Afbeelding 4: De geologische situatie binnen het plangebied (naar Schute, 2000)

1.      Oude Duin- en Strandzanden op Duinkerke I-geulafzettingen op Duinkerke O-dekafzettingen(?) op Calais-afzettingen op Oude Duin- en Strandzanden op pleistocene zanden;

2.      Oude Duin- en Strandzanden (op Hollandveen?) op Duinkerke I-dekafzettingen met vertand Hollandveen op Duinkerke O-dekafzettingen op Calais-afzettingen op Oude Duin- en Strandzanden op pleistocene zanden;

3.      Duinkerke III-dekafzettingen op Duinkerke I-geulafzettingen op Duinkerke O-dekafzettingen(?) op Calais-afzettingen op Oude Duin- en Strandzanden op pleistocene zanden;

4.      Duinkerke III-dekafzettingen (op Hollandveen?) op Duinkerke I-dekafzettingen met vertand Hollandveen op Duinkerke O-dekafzettingen op Calais-afzettingen op Oude Duin- en Strandzanden op pleistocene zanden.


Afbeelding 5: Het plangebied Fase 4 geprojecteerd op de kaart van Kruikius (1712). De bebouwing in het centrum van het plangebied zijn de restanten van het voormalige kasteel van de Heren van Foreest.

 


Afbeelding 6: Uitsnede uit Kaartboek Naaldwijk, 1623.


Afbeelding 7: De resultaten van het grondradaronderzoek.

 


Afbeelding 8: De afgegeeste (t.b.v. zandwinning afgegraven) gronden volgens Van Liere (1948).


Afbeelding 9: Het actueel hoogtebestand gevisualiseerd in en om het plangebied. Duidelijk herkenbaar is de ophoging ten behoeve van het kerkhof en de perceelsgebonden hoogteverschillen.

 


Afbeelding 10: Het actueel hoogtebestand gevisualiseerd in en om het plangebied, gezien in vogelvlucht vanuit hetnoordwesten. De hoge paarse waarden worden gevormd door de bebouwing van Naaldwijk.


Afbeelding 11: Het actueel hoogtebestand gevisualiseerd in en om het plangebied.



[i] Schute, J.A., 2000; Plangebied Woerdblok, gemeente Naaldwijk; Standaard Archeologische Inventarisatie (SAl). RAAP¬Briefverslag 2000-1168/MW. Stichting RAAP, Amsterdam.

[ii] Thanos, C.S.I., 2001; Plangebied Woerdblok (onderzoeksgebied 1), Gemeente Naaldwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie. RAAP-rapport 636. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

[iii] Kruidhof, C.N., 2003; Plangebied Woerdblok, gemeente Naaldwijk; een inventariserend archeologisch onderzoek, RAAP-rapport 931. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

[iv] Van dit onderzoek is voor zover ons bekend geen rapportage verschenen.

[v] CONCEPT: Zee, van der, R.M., 2007. Plangebied Woerdblok fase 3 te Naaldwijk (gemeente Westland); Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek, Amersfoort.

[vi] LlERE, WJ. VAN, 1948: De bodemgesteldheid van het Westland. (Verslagen van landbouwkundige onderzoekingen 54.6). 's-Gravenhage. (Kaartblad 5).